MSCPacific
Home    Beurskalender    Club projecten    Projecten van leden    Contact   Links   Login



Volgende tekst is een vrije vertaling, van het artikel die een tijd on-line stond op de website van Continental Modeller.


Railway of the Month
In the current December 2007 issue of Continental Modeller, the Railway of the Month is:
Louise-Marie

A station in the Flemisch Ardennes
modelled in N by the Modelspoorclub Pacific
and described by Bernard Lambert


Louise-Marie, dé Vlaamse Ardennen op N-schaal.



De perfecte locatie.

Einde jaren negentig waren we volop bezig met het aanbrengen van de ‘finishing touch’ aan onze HO-modelbaan, voorstellende het station van Wervik, thuishaven van onze vereniging (Modelspoorclub Pacific). Het was dus hoog tijd om een ander project op te starten. Ondertussen hadden we ondervonden dat het veel boeiender is om een bestaand emplacement na te bouwen, zij het met de onvermijdelijke toegevingen, dan om zomaar in het wilde weg sporen en straten aan te leggen. We gingen dus op zoek naar een nieuwe ‘bruikbare’ inspiratiebron. Na een aantal avonden wikken en wegen viel onze keuze op het station van Ronse.

Op zich niet eens zo’n vreemde keuze. Wanneer je langs de Vlaamse sporen op zoek gaat naar een fraaie omgeving kom je als vanzelf terecht in het zuiden van de provincie Oost-Vlaanderen. De omgeving van de stad Ronse, niet zonder enige zin voor overdrijving de “Vlaamse Ardennen” geheten, biedt immers het perfecte decor voor een modelbaan: een glooiend landschap met hier en daar een brug of een tunnel, een landschap waar in de laatste vijftig jaar nauwelijks iets veranderde en als kers op de taart het oudste stationsgebouw op het Europese vasteland.

Maar er speelden natuurlijk ook andere redenen mee. Een modelbaan bouwen is een werk van lange adem, en redelijke argumenten volstaan niet om jarenlang vol te houden en alle kleine en grote tegenslagen te overwinnen. Ik zou de makers van half afgewerkte modelbanen geen eten willen geven ...

Voor mij persoonlijk lag de keuze al veel langer vast. U moet weten dat mijn grootmoeder in Ronse woonde. Op zich niets opmerkelijks, ware het niet van de onvermijdelijk familiebijeenkomsten en het blij weerzien van de neven en nichten. Al vlug begonnen de grote mensen-gesprekken te vervelen, en trokken wij samen naar de ‘passerelle’, de voetgangersbrug over de goederenkoer bij het station. In die tijd was Ronse nog een belangrijk spoorwegknooppunt, met een drukke reizigers- en goederentrafiek, bovendien allemaal met stoomtractie. Op deze brug, op het laatste nippertje wegspringend voor de rook- en stoompluimen van de aanstormende locomotieven, die dan met luid geraas onder onze voeten doorreden, is een modelbouwersroeping ontstaan. Veertig jaar later Ronse nabouwen in model, het is een beetje thuiskomen.

Fig: Een Treinstel van het Type 600, met een postwagen aan de haak, houd halt te Louise-Marie
op zijn weg van Ronse naar Gent-Sint-Pieters. Dit was het eerste treinstel van de NMBS



Van grootbedrijf naar modelbaan.

Omdat we bij het bouwen van onze vorige baan gaandeweg op een aantal moeilijk op te lossen tegenstrijdigheden waren gebotst, en omdat we met onze nieuwe baan zo nauw mogelijk bij de werkelijkheid wilden aansluiten, namen we ons voor de zaak ditmaal grondig voor te bereiden. Een jaar lang doken we in de archieven van de NMBS, van het stedelijk museum en van het gemeentehuis te Ronse. Oude topografische kaarten, postkaarten, kadasterplannen, luchtfoto’s, gesprekken met onze gepensioneerde spoormannen en niet in het minst dagen van opmetingen en duizenden foto’s leverden ons uiteindelijk een schat aan gegevens. We konden met kennis van zaken aan de slag.

Al vlug werd duidelijk dat we, als we de werkelijkheid niet teveel geweld wilden aandoen, deze modelbaan niet zouden kunnen bouwen op de ons vertrouwde HO-schaal. Spoorlijnen die vanuit Ronse in vier verschillende richtingen vertrekken, niet minder dan zeven doorgaande sporen met bijhorende wisselstraten, een goederenloods van meer dan honderd meter, een watertoren, een keerdriehoek, ... het moest allemaal zijn plaats krijgen op de baan zonder dat deze een overvolle indruk zou wekken. Een keuze voor schaal N, waarin met het nodige geluk nogal wat Belgisch materiaal te vinden is, drong zich op.

Bij het uittekenen van het plan beslisten we om niet alleen het stationsemplacement zelf weer te geven, maar ook één van de vier vanuit Ronse vertrekkende lijnen na te bouwen als paradespoor. De keuze viel, nogal voor de hand liggend, op de lijn naar Oudenaarde en Gent, met de steile klim de het Muziekbos naar de tunnel van Louise-Marie, ... die namen alleen al. De modelbaan zou dus twee erg van elkaar verschillende gezichten krijgen : een erg spoorse en stedelijke voorkant, het station van Ronse, en een rustige, landelijke achterkant, de lijn naar Louise-Marie.

Aanvankelijk waren we van plan om te beginnen met het station van Ronse en dan de baan verder uit te bouwen met tijd en boterham. Maar gaandeweg begonnen we dit scenario in vraag te stellen. Omdat het sporenplan bijzonder complex is drong een digitale sturing van de baan zich op. Bovendien zou de baan gebouwd worden op schaal N. Noch met het ene, noch met het andere waren we in onze club vertrouwd. Daarom besloten we om integendeel met de achterkant van de baan te beginnen, Louise-Marie. We zouden dan wel zien: viel het mee, dan konden we alsnog Ronse bouwen, viel het tegen dan konden we alles in de prullenmand gooien en er nooit nog met iemand over praten.

Fig: Op het baanplan is enkel het deel Louise-Marie ingekleurd. Maar u krijgt al een idee hoe het er later uit zal zien.


Less is more.

Toen Mies Van Der Rohe (Duits modernistisch architect uit de eerste helft van de twintigste eeuw) deze woorden uitsprak wilde hij afrekenen met de overdaad aan ornamentiek van de negentiende eeuw. In de modelbouwwereld heeft zich de laatste jaren een gelijkaardige kentering afgetekend, weg van de spaghetti-bord-spoorplannen naar een strakkere en meer natuurgetrouwe weergave van het grootbedrijf. Het is met deze modelbaan niet anders.

Het spoor naar Louise-Marie ligt in een dal, ver weg van alle drukte, in een bijzonder landelijke omgeving. De uitdaging bestond erin om vooral die rust over te brengen op de modelbaan, om een beeld op te hangen van het Vlaamse platteland zoals het er vijftig jaar geleden uitzag. Vijftig jaar geleden, omdat dit ons toelaat om zowel met stoom- als met dieseltractie op de baan te rijden. Vijftig jaar geleden, ook nog omdat er toen nog een interessante trafiek was in Ronse, op heden nog slechts de einbestemming van een boemeltrein uit Gent. Of hoe sommige keuzes zich gewoon opdringen.



Fig: Algemeen zicht op de stationsomgeving.



Ik vertelde u al dat er daar in de afgelopen halve eeuw niet veel veranderd is. Het was dus niet zo moeilijk om het landschap uit het midden van de vorige eeuw te reconstrueren. Het volstond meestal om ter plaatse te gaan, een en ander op te meten, op foto vast te leggen en de nodige aantekeningen te maken op onze oude stafkaart. Het belangrijkste was evenwel om er veel naartoe te gaan, op alle tijdstippen van de dag en in alle jaargetijden, en ons zodoende het ritme van het landschap eigen te maken.

Het reliëf is nauwkeurig op schaal weergegeven, overeenkomstig de afstanden en de hoogtelijnen op onze topografische kaart. Dit leerde ons alvast dat we als modelbouwers vaak de neiging hebben om het landschap veel te fel op en neer te laten deinen. Even overwogen we trouwens om alles toch maar wat meer ‘karakter’ te geven, maar uiteindelijk deden we het niet, en maar goed ook. De zachte glooiingen, hier ingekerfd, daar overbrugd door het gespannen lint van de spoorweg, zijn net wat men nodig heeft om een voorbij rijdende trein beter te laten uitkomen. En daar is het hem uiteindelijk toch allemaal om te doen, of niet ?

De straten en de gebouwen werden eveneens natuurgetrouw nagebouwd en ingeplant, hoewel we hier en daar toch afmetingen hebben moeten aanpassen. Zelfs op schaal N moet een mens af en toe een oogje dichtknijpen. Hiervoor maakten we eerst eenvoudige volume maquettes uit karton, die we op de onafgewerkte baan inplantten, om na te zien of het geheel zijn eenheid bleef behouden.

Belangrijker dan de afstanden en afmetingen is dat alle gebouwen geplaatst werden in twee compacte groepen: de stationsomgeving en de boerderij. Zo ontstond op de modelbaan een sterk contrast tussen de drukkere, bebouwde delen, en de rustige, zeg maar lege landelijke delen. Een huis ergens halfweg tussen de boerderij en het station, waar naar verluidt ooit een moord gepleegd werd, hebben we (na het plaatsen van het kartonnen volume) bewust niet nagebouwd, om dit contrast vooral niet te verzwakken.

Vanzelfsprekend werden in de werkelijkheid bepaalde huizen recent gerenoveerd, maar er waren nog voldoende sporen van de opeenvolgende verbouwingen om ons toe te laten de oorspronkelijke toestand te reconstrueren. Het stationsgebouw zelf werd al een dertigtal jaren geleden gesloopt, naar men ons vertelde daags nadat het schrijnwerk nog een laatste verfbeurt had gekregen. Gelukkig beschikte men bij het archief van de Belgische spoorwegen nog over duidelijke foto’s. Bovendien was het bij de spoorwegen in de negentiende eeuw de gewoonte om steeds meerdere gebouwen van een bepaald type op te trekken. Mits enig speurwerk vonden we nog eenzelfde gedeeltelijk bewaard stationnetje, thans ingericht als woning, dat we konden opmeten.

Zelfs de bomen staan op de modelbaan waar ze ook in de werkelijkheid staan: hoge populieren langs de beek, struikgewas en enkele sparren in de bosjes en knotwilgen tussen de percelen. Opnieuw leerden we dat bomen in de werkelijkheid steeds bij elkaar staan, en niet kriskras over het landschap uitgestrooid zijn, zoals de peterselie in de koeltoog bij de slager. Het lijken misschien details, maar net daarin schuilt het verschil tussen een landschap dat er écht uitziet en een landschap dat er ... als een modelbaan uitziet.

De algemene sfeer van de baan is die van een warme, lome namiddag in augustus. De oogst is net binnen gehaald, de balen stro liggen nog op het stoppelveld, en er gebeurt niets. Natuurlijk staan er hier en daar wat mensen op de baan, maar die zijn gewoon bezig met hun dagdagelijkse besognes: wieden in de moestuin, wat hout verzagen of gewoon een babbeltje slaan. Ze doen wat van mensen op een zomernamiddag kan verwacht worden, en vallen dus nauwelijks op. Enkele fietsen tegen de betonnen afsluiting van het station, een paar zeldzame auto’s en, verspreid over het landschap, tractoren onderweg van de ene naar de andere akker vervolledigen het plaatje.

De rust wordt enkel verstoord door de af en toe voorbijkomende treinen, die soms even in Louise-Marie stilstaan om enkele reizigers mee te nemen, maar meestal gewoon doorrijden. Omdat we steeds op schaalsnelheid rijden duurt het al vlug een volle minuut voordat een trein van onderaan de helling tot aan de tunnel geraakt is. Dit gegeven, de tijd, benadrukt nogmaals de uitgestrektheid en de rust van het landschap. Het geeft ook een echt ‘treingevoel’, en dat ondanks de kleine schaal. En vermits het een enkel spoor betreft, duurt het dan nog eens een hele tijd voor er een volgende trein aankomt. Het is een beetje zoals trainspotten, maar dan in het klein.

De technieken.

Zoals ik al schreef, hadden we geen ervaring met modelbouw op N-schaal. We hebben dus ongeveer alles moeten uitvinden, waarbij we voor onszelf een aantal basisregels hadden vastgelegd. Het mocht niet al te technisch zijn, om alle leden van de club de kans te geven om mee te werken. Het mocht niet teveel werk zijn, gezien de uitgestrektheid van de baan. Zo zullen we tegen dat alles af is ongeveer zevenduizend bomen gemaakt hebben. Om dezelfde reden, moest het bovendien allemaal een beetje betaalbaar blijven.

Ik zal niet in details treden, maar neem van me aan dat de gebruikte technieken binnen ieders bereik liggen. Eerst worden de spoorbedding en de straten gebouwd, uit dunne triplex, gelijmd op houten steunen. Ook waar gebouwen komen wordt een perfect vlak triplex draagvlak voorzien. Daarna wordt het landschap hiertussen opgebouwd uit polystyreenplaten van verschillende dikten. Hierop wordt eerst een laag papier gelijmd met verdunde houtlijm, en daarop komt een laag hydro-fiber. Deze wordt tenslotte geverfd met verdunde acrylaatverf in drie tinten, zwart, oker en wit, die op de baan zelf gemengd worden. Daarna wordt alles afgewerkt met strooimateriaal van Woodland Scenics, steeds gebruik makend van verschillende tinten en texturen door elkaar.

De sporen zijn van Peco, met contactlijm op een kurkbed van 3 mm gelijmd. De bedding wordt afgewerkt met zwart zand, dat gebruikt wordt om gietvormen te maken, op de klassieke manier verlijmd met verdunde en ontspannen houtlijm.

De straten, in die tijd zonder uitzondering met kasseien geplaveid, zijn gemaakt uit architectenkarton, waarvan één laag papier verwijderd werd, en waar de kasseien een voor een in het zachte schuim gekrast zijn. Het klinkt erger dan het in werkelijkheid is. Het geheel krijgt eerst drie tot drie vier lagen grijze acrylaatverf, en nadien een patina met verdunde verf en kleurpotlood.

De bomen hebben zonder uitzondering een geraamte van ijzer- en koperdraad, omwille van de sterkte. Dit geraamte wordt, na verven, verschillende keren in verdunde houtlijm gedompeld en vervolgens in strooimateriaal gewenteld, tot de boom er voldoende ‘gevuld’ uitziet. Van de gebouwen zijn de structuur en de wanden opgebouwd uit papier en karton, terwijl voor de daken gebruik gemaakt werd van de voortreffelijke bouwplaten van Vollmer.

Fig: Twee Typen 59 in dubbeltractie met een zware kolentrein aan de haak.



De toekomst.

Louise-Marie was de afgelopen vier jaren al te zien op talrijke tentoonstellingen in binnen- en buitenland. Daaruit mag u afleiden dat we best tevreden zijn over het resultaat en dat we er niet meer aan denken om de zaak naar de prullenmand te verwijzen. Een van de mooiste complimenten kreeg ik van een vriend, zelf hoegenaamd geen modelbouwer, aan wie ik foto’s liet zien van de afgewerkte modelbaan. Hij vertelde mij dat het er precies uitzag als waar hij tijdens het week-end met zijn echtgenote was gaan fietsen.

We zijn in de club ondertussen hard aan het werk aan de modules van het station van Ronse. Het timmerwerk is achter de rug, alle sporen zijn gelegd en we werken de bekabeling af zodat we binnenkort zullen kunnen proefrijden. De eerste schaalmodellen van gebouwen zijn ondertussen ook al klaar, en we hopen binnen een viertal jaren eindelijk van Ronse naar Louise-Marie te kunnen rijden.



SimpleViewer requires JavaScript and the Flash Player. Get Flash.


Tekst: Bernard Lambert
Foto's: Luc Goeminne, Catry Mattias

Copyright © 2010 MSCPacific